Ga naar hoofdinhoud

Een Nederlandse vormexplosie

Ik zie ze dus binnenstromen, terwijl ik dit schrijf. Omdat het zo vlak voor de deadline om plukjes van drie, vijf, twee tegelijk gaat durf ik niets meer te zeggen over het totaal aantal inschrijvingen dat op 2 september de oogst zal blijken te zijn van de eerste Nationale Houtbouwprijs. Wel iets over de kwaliteit. Komt er zoiets als een Nederlandse houtbouwschool?

Met een vaderlands architectenbestand dat internationaal georiënteerd is, zo’n beetje in het Engels droomt en overal op de wereld stages heeft gelopen en nu zijn/haar projecten realiseert zou je het niet verwachten. Maar als ik zo kijk naar de inzendingen, projecten die de afgelopen twee jaar zijn gerealiseerd, dan kan ik in ieder geval zeggen: het lijkt nergens op!

Hoe gaaf is dat! In Amerika en Canada zetten ze hun houtskeletbouwtraditie, de meerderheid van hun woningen zijn al eeuwen in woodframe-bouwwijze gerealiseerd, gewoon voort met de nieuwe mass timber-materialen: houten frames, grote spanwijdten, met daarop clt en verrassend vaak dlt. Dat deuvellamineren is er zo’n beetje uitgevonden: paar planken tegen elkaar, spijkers er door en je hebt een plank of balk.

In Scandinavië doen ze alles met clt, liefst zo dik mogelijk. Dat laatste om de brandpreventie, de isolatie, de constructie en gewoon, omdat ze er hout genoeg is: lijm maar aan elkaar, alles, het kan niet op!
De Britten en de Duitstalige landen zitten daar zo’n beetje tussenin: kolommen en liggers met clt er bovenop en dan hsb-wanden als het niet dragend hoeft te zijn. Soms ook stalen frames, uit materiaalbewustzijn.

Kenmerkend aan die drie bouwwijzen: rationaliteit: hoe rechter op elkaar, hoe geslotener de gevels des te mooier vinden ze het: blokkendozen.

Creativiteit met vormen, verkenning van de mogelijkheden van hout, volkomen nieuwe gebouwvormen zie je vooral in Japan, Italië, Spanje en nu, durf ik wel te stellen, ook in Nederland. We hebben natuurlijk ook wel een traditie op te houden. De Nederlandse architect kan heel rigide zijn in zijn/haar uitgangspunten, bijvoorbeeld circulariteit, losmaakbaarheid, minimaal materiaalgebruik, maximaal energiebesparing. De vorm en de bouw passen zich dan daar maar op aan. Dat levert spannende dingen op. Net zoals de eveneens Nederlandse traditie om heel diep in het materiaal te duiken: wat kan het, wat doet het, wat is er nog niet geprobeerd? En de verworven kennis dan om te zetten in vormen die uit die mogelijkheden voortkomen, niet uit een ontwerp- of bouwtraditie. Ook dat kan ver gaan. Blijkt.

Eind september kun je zelf je oordeel vellen. Dan zetten we de Voorselectie voor de prijs online, Is er al een Nederlandse stijl te herkennen? Is er een aantal stijltrends aan te wijzen? Of is dat maar onzin en is de architect slechts een dienaar van zijn/haar opdrachtgevers? Misschien ligt dáár dan de oorzaak van die typisch Nederlandse vormenrijkdom.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Word nu abonnee van Houtwereld of Het Houtblad. Abonneer