Ga naar hoofdinhoud

Het onderhoud als blinde vlek

Je weet misschien wel dat ik naast het zegenrijke werk dat ik voor Het Houtblad mag doen ook nog hoofdredacteur van een vakblad voor de schilderssector ben. Anders weet je het nu. In ons land is er van oudsher een grote discrepantie tussen de mensen die bouwen en de mensen die gebouwen onderhouden. Dat gaat anders worden.

Sterker: dat is al anders aan het worden, want een fors aantal voormalige schildersbedrijven heeft zich doorontwikkeld tot vastgoedonderhoudbedrijf. Dat zijn bedrijven die jout als eigenaar van vastgoed tot in detail een aantal scenario’s kunnen voorleggen waarbij op basis van strategische keuzes het onderhoud over meerdere jaren kan worden vastgesteld: ‘als we het dakonderhoud nog twee jaar uitstellen dan kan het gecombineerd worden met het voegwerk en dan hebben we maar één steiger nodig.’ Dat werk, maar ook: ‘Over tien jaar wilt u een energetische renovatie uitvoeren bij deze flats. Laten we dan nu bij het onderhoud alvast de ramen van dubbel glas voorzien’, etcetera.

In Nederland is erg veel dedain voor deze tak van sport. Terwijl de exploitatiekosten van een gebouw, zoals bekend, tot wel 80 procent van de totale kosten uitmaken, de stichtingskosten maar 20. Dan moet je het vervangen van de installatie daar ook bij optellen, bijvoorbeeld.
Wat we in dit land dus sowieso bijna nooit doen is al bij de bouw de exploitatie includeren. Een goede ontwerper of bouwer realiseert zich nog wel dat je de omkanten van een vensterbank beter rond kunt detailleren omdat je anders daar houtschade kunt verwachten. Maar evengoed kom je nog altijd de meest onderhoudsonvriendelijke ontwerpen tegen, ‘want dat staat wel leuk’.

In een circulaire economie zou dat eigenlijk niet meer moeten kunnen. Van elk bouwonderdeel zouden we eigenlijk al moeten weten hoe het zich in de loop der tijd gaat gedragen, of het onderhouden of vervangen moet worden en wat we er aan hebben als we het gebouw weer uit elkaar halen. Een gekke gedachte? Nee hoor! De Deense duurzaamheidsregelgeving is er op gebaseerd, de duurzaamheidsrichtlijnen in het Verenigd Koninkrijk gaan er van uit en ook in andere landen zie je dat.
Het is de blinde vlek in Kadaster-achtige systemen. Of van systemen die van LCA’s uitgaan. Die beschouwen materialen als een stof met de eigenschappen x, die leg je in een kast op een plank, of in dit geval: die stel je samen tot een gebouw, en dan delf je ze met die eigenschappen x na 75 jaar weer op en doet er iets anders mee.
Terwijl de levensduur, het gebruik en eventueel de vervangingen ten behoeve van de exploitatie daarbij worden veronachtzaamd. Wat grote gevolgen zou kunnen hebben voor de manier waarop we ontwerpen. Of de voormalige schildersbedrijven dat voor ons gaan oplossen? Ik ken wel onderhoudsbedrijven die uit pure frustratie over slecht ontworpen gebouwen zelf maar aannemer geworden zijn. Maar architect of ontwikkelaar? Het zou toch mooi zijn als die zelf zouden veranderen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Word nu abonnee van Houtwereld of Het Houtblad. Abonneer